Taylor & Francis Taylor & Francis Group
ACTA CLINICA BELGICA -----------
Ø
ISSN: 1784-3286 (Print) 2295-3337 (Online) Journal homepage: https://www.tandfonline.com/loi/yacb20
Bijnierschorshyperfunctie Bij Een Bronchuscarcinoom Met Een Hoog A.C.T.H .- Gehalte Regressie Na Antimitotische Kombinatietherapie
W. Van Hove, M. Van Der Straeten, A. Vermeulen, W. Beelaerts & H. Roels
To cite this article: W. Van Hove, M. Van Der Straeten, A. Vermeulen, W. Beelaerts & H. Roels (1968) Bijnierschorshyperfunctie Bij Een Bronchuscarcinoom Met Een Hoog A.C.T.H .- Gehalte Regressie Na Antimitotische Kombinatietherapie, Acta Clinica Belgica, 23:5, 325-336, DOI: 10.1080/17843286.1968.11716691
To link to this article: https://doi.org/10.1080/17843286.1968.11716691
Published online: 19 May 2016.
Submit your article to this journal
BIJNIERSCHORSHYPERFUNCTIE BIJ EEN BRONCHUSCARCINOOM MET EEN HOOG A.C.T.H .- GEHALTE REGRESSIE NA ANTIMITOTISCHE KOMBINATIETHERAPIE
W. VAN HOVE (*), M. VAN DER STRAETEN (*), A. VERMEULEN (*), W. BEELAERTS ( ** ) & H. ROELS ( ** ).
Het optreden van bepaalde endokriene syndromen, als paraneoplas- tische uitingen bij een tumor van een niet-endokrien orgaan, is zeldzaam doch wordt meer en meer waargenomen naarmate de bekendheid ervan groter wordt, en naarmate meer gespecialiseerde laboratoriumtechnieken ter beschikking staan om ook onduidelijke en fruste vormen aan te tonen. Onder deze syndromen neemt het Cushingsyndroom zeker een belang- rijke plaats, zowel in historisch opzicht als in frequentie van voorkomen.
De observatie van een dergelijk geval met een paar ongewone biolo- gische resultaten, met een opvallende reaktie op de behandeling en de mogelijkheid hormonale dosages in het tumorweefsel te bekomen, waren het vertrekpunt voor dit artikel waarin de voornaamste klinische, biolo- gische en fysiopathologische aspekten van dit syndroom in ‘t kort zullen besproken worden.
ZIEKTEGESCHIEDENIS
Patiënt C.C., 39 jaar, is stoker van-beroep. In de familiale anamnese wordt diabetes vermeld bij een oom. Hijzelf leed als kind aan asthma bronchiale en werd op 25 jarige leeftijd geopereerd van mastoiditis rechts. In 1963 werd hij behandeld wegens een pneumonie rechts en sindsdien maakte hij elke winter een infectieus syndroom door met koorts, hcest, opgeven van gele sputa en pijn onder de rechter scapula; telkens ontstond vlotte genezing na een antibiotische kuur. In november 1965 traden opnieuw dezelfde klachten op, met daarbij lichte hemoptoë. Daarvoor werd hij in een andere kliniek gehospitaliseerd waar een röntgenopname van de thorax een pneumonisch beeld in de rechter bovenkwab aantoonde. Ondanks een behandeling met tetracyline trad geen verbetering op in de toestand. Op de bronchografie werd gezien dat de pectorale tak van de rechter bovenkwap niet inliep. Een bronchoscopie met bronchusbiopsie en secreet- aspiratie kon geen afwijkingen in het licht stellen. Een nieuwe bronchografie, één maand later, toonde nu een stop van de gehele rechter bovenkwab.
Op 20-1-66 werd patiënt naar de Interne Kliniek overgebracht.
(*) Interne Kliniek, Akademisch Ziekenhuis, Gent.
( ** ) Laboratorium voor Pathologische Ontleedkunde, Rijksuniversiteit Gent (Dir. Prof. H. Roels).
Als hoofdklachten bleven toen nog bestaan : hoest zonder sputa en zonder hemoptoë, pijn ter hoogte van de rechter scapula, dyspnoe en een recent opge- treden spanningsgevoel in hoofd en hals.
De systeemanamnese leverde nog enkele belangrijke gegevens op : een gewichtstoename van acht kg in twee maanden, een recent opgetreden dorstgevoel met polyurie en ook polyfagie; als abuses werd vermeld : 30 tot 60 sigaretten per dag gedurende 20 jaren.
Bij klinisch onderzoek werden een aantal afwijkingen waargenomen : de rechter oogspleet was vernauwd met lichte enoftalmie; het aangezicht was rood gezwollen met cyanose van lippen en corlellen, met stuwing van de Venae Jugu- lares en met versterkte subcutane venetekening op schouders en bovenste thorax- helft, als uitingen van een Vena Cava superior syndroom; over het rechter bovenste thoraxgedeelte was de percussietoon verkort en het vesiculair ademen verminderd; de 12e borstwervel was zeer pijnlijk bij bekloppen; er bestond een hepatomegalie met een normale leverrand die medioclaviculair drie dwarsvingers- onder de ribbeboog werd gevoeld. Er bestonden geen bloedingen en geen huid- striae; de temperatuur schommelde tussen de 37° en 38°; de hartfrequentie bedroeg 96 per min; de bloeddruk was 12/8 cm Hg; het lichaamsgewicht bedroeg 68 kg.
Laboratoriumgegevens :
Urine : eiwit : spoor; glucose : negatief; sediment : 1 rode en 1 witte bloed- cel per veld; volume per 24 uur : 1.500 ml.
Bloed : bezinkingssnelheid : 11 mm na 1 uur, 25 mm na 2 uur ; erythrocy- ten : 4.650.000/mm3; hgb : 93 %; leucoyten : 9.700/mm3. Differentiatie : eosino- fielen : 2; neutrofielen : 61: lymphocyten : 36; monocyten : 1;
Glycemie : 0,68 g/L; ureum : 0,51 g/L; cholesterol : 238 mg/100 ml; biliru- bine : 0,44 mg/100 ml; thymol turbiditeit : 2,9 E MacLagan; zinksulfaat : 10,9 E; SGOT : 49 E; SGPT : 52 E; alkalische fosfatase : 13,6 KAE; totaal eiwit : 7,3 g/100 ml; papierelectroforese : albumine : 49,7 %; «, globuline : 7,6 %; a. globuline : 10,9 %; ß globuline : 13,6 %; y globuline : 18,2 %; LDH totaal : 1,7 I.E./ml; isoenzymes : LDH 1 : 30,6 %; LDH 2 : 37,6 %; LDH 3 : 23,4 %; LDH 4 : 6,8 %; LDH 5 : 1,7 %.
Natrium : 134 mEq/L; kalium : 4,6 mEq/L; calcium : 10,8 mg/100 ml; fosfor : 3,1 mg/100 ml.
Belastingscurve met 50 g glucose : glycemie nuchter : 0,77 g/L; na 30 min : 1,38 g/L; na 60 min : 1,46 g/L; na 90 min : 1,83 g/L; na 120 min : 1,55 g/L; na 150 min : 1,24 g/L.
De röntgenopname van de thorax toonde thans een dense, uitgebreide scha- duw over het gehele rechter bovenveld; bij bronchosopie werd de opening van de rechter bovenkwabsbronchus totaal afgesloten gevonden.
Het anatomopatologisch onderzoek van het biopsiemateriaal wees op dysplasie van het epitheel en bij cytologisch onderzoek van geaspireerd bronchussecreet werden groepjes maligne cellen gezien, vermoedelijk afkomstig van een oat- celltumor.
Daarmee werd de diagnose gesteld van gemetastaseerd bronchuscarcinoom, waarschijnlijk van het type oat-cell, met een Vena Cava superior syndroom, een beginnend syndroom van Horner en met het vermoeden op paraneoplastische,
endokriene afwijkingen met bijnierschorshyperfunctie. Dit vermoeden ontstond uit de anamnetische gegevens over recente gewichtstoename, polyfagie en poly- dipsie, ondanks het ontbreken van hypokaliëmie. De plasmacortisol was duidelijk verhoogd met 32 µg/100 ml plasma om 8 uur ‘s morgens (normaal : 19,8; S.D. : 3,6) en met een afvlakken van diurnevariatie met 19 µg om middernacht (nor- maal : 5,0; S.D. : 3,4; Methode Vermeulen-Van Der Straeten : 25). Na stimulatie met A.C.T.H. (120 E. i.m.) liep de plasmacortisolwaarde op tot 108 ug/100 ml. De 17 hydroxycorticoiden bedroegen 21 mg in de 24 uurs urine (Metcalf-Few methode) (17). De 17 ketosteroiden bedroegen 3,56 mg in de 24 uurs urine.
Therapie en evolutie : wegens het verergeren van het Vena Cava superior syndroom en het optreden van heftige pijnen in de thoracale wervelzuil werd afgezien van een bijnierschorssuppressietest en werd begonnen met een antimito- tische kombinatietherapie. Patiënt kreeg 5-Fluoro-uracil 1 daags in I.V. infuus gedurende 10 dagen, Trenimon 0,2 mg daags I.V. gedurende 15 dagen en Velbe 10 mg I.V. om de week, volgens een constant behandelingsschema dat elders uit- voeriger is beschreven (24).
LDH IE/ml.
LDH 3 In%
3
2
30
25
20
1
1
Normale LDH totaal : < 0,7IE/ml.
0.7
15
Normale LDH 3: < 15%
10
dagen therapie
1
5
10
15
De resultaten van deze behandeling waren zeer duidelijk na 2 weken :
1. Subjektief : een vermindering van de pijn, de hoest, de dyspnoe en het spanningsgevoel in hoofd en hals.
2. Objektief klinisch : verdwijning van het Vena Cava superior syndroom en een afname van de hepatomegalie.
3. Radiologisch : een vermindering van het kondensatiebeeld, zoals blijkt uit de opname vóór (fig. 1) en na twee weken behandeling (fig. 2).
4. Biologisch : veranderingen in het patroon van de totale LDH en van de isoenzymes : na een tijdelijke stijging van totale LDH en van LDH 3 ontstaat
een progressieve daling tot normale waarden (fig. 3). Deze veranderingen worden alleen bij therapiegevoelige bronchuscarcinoom waargenomen (26).
5. Het endokrien syndroom regresseerde terzelfdertijd als de andere verschijn- selen : er trad een progressieve daling op van de plasmacortisolwaarden met een normalisering van de diurnevariaties : na 15 dagen therapie bedroeg de cortisol- waarde om 8 uur : 17,8 µg en om 24 uur : 4,3 ug/100 ml plasma.
Na deze aanvalstherapie kon de patiënt worden ontslagen onder een onder- houdsbehandeling met Trenimon 1,5 mg per week en Velbe 10 mg I.V. alle 10 dagen. De bekomen remissie bleef slechts een vijftal weken bestaan : nadat de therapie, wegens het optreden van koorts en van gastro-intestinale bezwaren, moest worden onderbroken, trad zeer snel een verslechtering van de algemene tcestand op zodat patiënt moest heropgenomen worden. Klinische tekenen van hypercorticisme waren op dat ogenblik afwezig, doch de plasmacortisol was terug opgelopen tot 41 µg om 8 uur en tot 21 µg om middernacht; dit ging gepaard met een toename van de tumorgrootte bij radiologisch onderzoek; de kaliëmie bleeft steeds normaal. Er werd een behandeling ingesteld met Trenimon, Velbe, antibiotica, anabolica, analgetica en ook Prednisolone in een dosering van 25 mg/dag. Daarop kon de man in bevredigende toestand worden ontslagen om tenslotte een derde maal opgenomen te worden anderhalve maand later. Hij overleed zeven maand na het optreden van de eerste symptomen en vier maand na het begin van de antimitotische behandeling.
ANATOMO-PATHOLOGISCHE BEVINDINGEN
Bij de obductie, twee uur na de dood uitgevoerd, werd een vuist- grote tumor gevonden in de rechter bovenkwab, vergroeid met de pleura en met metastasering in parabronchiale, subcarinale en paratracheale klieren. Deze klieren vormden een grote massa waarin de trachea vervat zat en waaraan de aorta vastgehecht was. Er werden ook talrijke metas- tasen aangetroffen in de lever. Het microscopisch onderzoek bevestigde dat het om een kleincellig anaplastisch epithelioma, van het oat-celltype ging (fig. 4). Aan de periferie van de tumor werd uitbreiding gevonden langs lymfevaten en invasie van de alveolaire lumina. De cellen in lym- fonodus- en levermetastasen vertoonden hetzelfde aspekt als in de pri- maire tumor. De bijnieren waren lipoidrijk; de cortex heeft een normale dikte. Het microscopisch onderzoek ervan toonde geen metastasen aan; wel waren er lichte stimulatietekenen ter hoogte van de cortex (en dit ondanks de prednisolonetherapie gedurende de laatste twee maanden). Het hypophyseonderzoek toonde geen afwijkingen aan. Het electronen- microscopisch onderzoek (fig. 5) van de tumor toont dat de cellen in een epitheliaal verband liggen. De kernen zijn duidelijk polymorf. Opvallend zijn de talrijke smalle en diepe invaginaties van de kernmembraan, die wanneer zij dwars getroffen worden, een beeld geven van pseudo-inclusies van cytoplasma te midden van de kern. De heterochromatine is grof en onregelmatig verdeeld. De interchromatinezone heeft een fijn fibrillair
aspekt. Talrijke onregelmatig verspreide groepjes contrastrijke granules met een diameter van ongeveer 250 Å komen voor. Het gaat hier om interchromatine granules (2, 21, 22). Er konden geen op virus gelijkende deeltjes in het licht gesteld worden. De nucleoli hebben eveneens een polymorf aspekt. Het onderscheid tussen pars amorfa en nucleolonema is vaak onduidelijk. De kernmembraan toont geen bijzonderheden. De tumorcellen bezitten een matige hoeveelheid cytoplasma dat talrijke kleine blaasjes van uitgezet granulair endoplasmatisch reticulum bevat. De vrije ribosomen zijn niet duidelijk in aantal toegenomen. Vaak zijn ze in rozetvorm gerangschikt. De mitochondrieën ondergaan lytische wijzigingen : disruptie van de cristae en ontstaan van concentrische lamellaire formaties, de zogenaamde myelinefiguren. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat de obductie 2 uur na de dood werd uitge- voerd. Het Golginet is goed ontwikkeld. Hier en daar bevat het cyto- plasma osmiofiele druppels.
A.C.T.H .- dosering in het tumorweefsel met de intraveneuse Sayertest (na drogen met aceton en extractie van Astwoodextract en vervolgens met aceton 70 % zoutzuur) : 172 mE/g oorspronkelijk tumorweefsel. (De dosage werd uitgevoerd in het farmacologisch laboratorium Organon te Oss dat we hiervoor van harte danken.)
BESPREKING
Alhoewel het eerste geval van Cushingsyndroom bij een « niet-endo- kriene »-tumor reeds door Brown (5) in 1928 werd beschreven, is het pas in de laatste vijftien jaar dat deze paraneoplastische verschijnselen een goede bekendheid hebben verworven en is het slechts een zestal jaren geleden dat het causaal verband tussen die tumor en de bijnierschors- hyperfunctie kon worden bevestigd.
In een literatuuroverzicht tot 1965 konden 115 dergelijke gevallen worden verzameld (3). In meer dan de helft daarvan is de primaire tumor een bronchuscarcinoom (19). Meestal zijn het tumoren van het anaplas- tisch type. Naast het bronchuscarcinoom kunnen ook thymus- en pan- creastumoren (4) relatief frequent met dit endokrien syndroom gepaard gaan. Zelden is de tumor buiten deze drie organen gelegen en dan kan de primaire haard gevonden worden op zeer talrijke plaatsen : één of een paar gevallen werden beschreven van bijnierschorshyperfunctie bij tumo- ren uitgaande van de prostaat, testis, ovarium, uterus, thyroid, mediasti- num, parotis, mamma, œsophagus, colon, lever.
Over de leeftijd van de patiënten kan men over het algemeen met Allot en Skelton (“) zeggen « dat ze jong zijn voor hun kanker en oud
m
ER : blaasjes van gra- nulair endoplas- matisch reticu- lum.
OM : osmofiele drup- pels.
G
: Golginet.
I : invaginaties van de kernmembraan met begeleidend cytoplasma.
NU : nucleolus.
IG : interchroma- tinegranules.
zijn voor hun Cushing ». Onze patiënt was met zijn 39 jaar de jongste van de laatste honderd bronchuscarcinoomgevallen die in de Interne Kliniek werden gezien. Toch zijn er meerdere gevallen beschreven bij patiënten die meer dan 65 jaar waren (12).
Het klinisch beeld kan de som zijn van tumorale en hypercorticisme- symptomen. Vaak echter is dit niet het geval omdat de Cushingsver- schijnselen ontbreken in 20 tot 50 % van de gevallen. Daar vinden we dan bijna steeds een sterk uitgesproken asthenie, veroorzaakt door de hypokaliemie. Slechts een gering aantal gevallen zijn bekend, waarbij geen hypokaliëmische asthenie en geen Cushingssymptomen bestonden en waarbij toch toevallig een hypercorticisme biologisch kon worden aangetoond, onder meer omdat men een vermoedelijke bijnierschors- hypofunctie wilde in het licht stellen (9). Tot de groep waarbij wel teke- nen van een Cushingsyndroom aanwezig zijn behoort ook onze patiënt. De meest voorkomende van deze symptomen zijn : gewichtstoename, hypertensie, hirsutisme, dorst met polyurie en ook huidpigmentaties. Het gebeurt slechts zelden dat het hypercorticismesyndroom volledig is; het zou des te vollediger zijn naarmate het meer tijd heeft zich te ontwikke- len, dus naarmate de tumorale woekering minder snel evolueert.
In de biologie is het hoofdkenmerk de hypokaliëmie met alkalose; het is een kenmerk dat aan het syndroom een min of meer eigen karak- ter geeft bij zoverre dat men gezegd heeft dat een Cushingsyndroom, dat met sterke hypokaliëmie gepaard gaat, bijna altijd veroorzaakt is door een maligne proces, hetzij een bijniertumor, hetzij een tumor vanuit cen niet-endokrien orgaan. Op 23 gevallen van hypercorticisme met een kaliëmie onder de 3 mEq/l. werd er bij 21 een associatie met tumor vastgesteld (1). Anderzijds echter vond men bij 35 van honderd gevallen met ernstig, doch niet-tumoraal Cushingsyndroom een hypo- kaliëmie (19). Daarenboven is deze hypokaliëmie niet altijd aanwezig bij de tumorale vormen. Onze patiënt vormt hiervoor een duidelijke illus- tratie, doch ook in de literatuur zijn herhaaldelijk normokaliëmische gevallen vermeld (9, 23).
Daaruit moge blijken dat de kaliumdosering wel kan gebruikt wor- den als screeningtest voor het opsporen van paraneoplastische Cushing- syndromen, maar dat aldus toch een aantal gevallen over het hoofd zullen gezien worden. De verklaring van het feit dat deze hypokaliëmie veel frequenter optreedt bij tumorale dan bij niet tumorale bijnierschors- hyperfunctie, is niet helemaal duidelijk. Het zou alleen een kwestie van graad, van ernst van hypercorticisme kunnen zijn, zoals blijkt uit de studie van Prunty (19), die een lineair verband kon aantonen tussen de dagelijkse cortisolsecretie en de graad van hypokaliëmie, en dit zowel bij
de tumorale als bij de niet tumorale vormen. Een andere mogelijkheid ware een vermeerderde produktie van steroïden met mineralocorticoïde- aktiviteit. Terwijl een vermeerderde aldosteronvorming nooit kon worden aangetoond, zijn er wel aanduidingen dat sommige bijniertumoren met een toegenomen corticosteronproduktie gepaard gaan (10). Nu heeft corti- costeron een vrij uitgesproken mineralocorticoïde aktiviteit.
De plasmacortisolspiegel is natuurlijk verhoogd; dit gaat gepaard met een afvlakken of volledig verdwijnen van de diurne variatie. Op zich- zelf is dit zeker niet voldoende voor de diagnose van paraneoplastisch Cushingsyndroom, aangezien verhoogde plasmacortisolwaarden in een groot percentage bij ongeselecteerde bronchuscarcinomen voorkomen (12, 20). Van belang is het antwoord op Dexamethasone suppressietesten. De autonome secretie van het « A.C.T.H. like »-produkt door de tumor wordt niet onderdrukt, ook niet door een hoge dosis Dexamethasone (8 mg daags). De zeldzame observatie van tumorale gevallen waarbij deze onderdrukking eveneens mogelijk was, berusten volgens Meador en Liddle (14, 16) mogelijks op een aantal foutieve bepalingen. Onder deze laatste gevallen is er trouwens geen enkel waarbij A.C.T.H .- dosering in de tumor verricht werd. Bij de meeste niet-tumorale gevallen treedt met deze hoge dosis wel onderdrukking op (14).
Het verloop van de ziekte bij een associatie van oatcelltumor en hypercorticisme is meestal zo snel dat bijna alle gevallen zijn overleden binnen de zes maand na de eerste symptomen. Wel zijn er enkele geval- len van Cushing bij « niet endokriene » tumor beschreven met een over- levingsduur van meerdere jaren, doch daaronder bevond zich geen enkel oatcellcarcinoom (8). Men zou dus kunnen zeggen dat de prognose bepaald wordt door het tumortype; in feite echter betekent het endokrien syndroom nog een extra-infaust element in deze prognose zoals blijkt uit een vergelijkende studie van Hymes en Doe (12). Therapeutisch staat men bij die snel evoluerende gevallen vaak machteloos. Men kan trachten, zoals we bij onze patiënt deden, de primaire tumor te behandelen en aldus het hypercorticisme causaal te onderdrukken. In de literatuur zijn hiermee slechts zeer weinig resultaten vermeld; remissie van het Cushingsyndroom na chirurgisch verwijderen van een mediastinaal epi- thelioma is beschreven door Meador et al. (16), Liddle et al. (14) en door Engel et al. (8), doch het gaat hier steeds om hetzelfde geval. Endokriene remissie na bestraling van een bronchusadenoom wordt vermeld door Lipsett (15). Een geval van oatcellcarcinoom waarbij het endokrien syn- droom wat verbeterde onder een therapie met antimitotica (Endoxan), wordt beschreven door Meador (16). Wanneer de primaire tumor geen oatcellcarcinoom is, maar van een type dat gewoonlijk trager evolueert
kan men ook het hypercorticisme trachten op te heffen door de bijnier- cortex uit te schakelen, hetzij met o.p.D.D.D. 1,1-dichloro-2 (o-chloro. phenyl)-2-(p-chlorophenyl) ethane, hetzij door een bilaterale surrenalec- tomie.
De verklaring van dit Cushingsyndroom, in associatie met tumoren van niet-endocriene organen, is lang hypothetisch gebleven. Slechts in de laatste jaren kon met zekerheid worden aangetoond dat het de tumorale cellen zelf zijn die een corticotropine-achtige stof vormen. Dit causaal verband tussen de tumor en de bijnierschorshyperfunctie kon worden bewezen : nadat de hoger vermelde gevallen waren beschreven waarbij een antitumorale behandeling ook het endokrien syndroom deed regres- seren, nadat was aangetoond dat bij dergelijke syndromen de A.C.T.H .- aktiviteit vermeerderd was in het plasma (7) en daarentegen verminderd in de hypophyse (18), nadat Holub (11), Meador (16) en Liddle (14) en nadien nog anderen een sterke A.C.T.H .- aktiviteit van het tumorale weefsel en van de metastasen konden vaststellen, nadat de « A.C.T.H .- achtige » stof rechtstreeks in de tumor kon geïdentificeerd worden door immunofluorescentietechniek (13).
De waarden, die bij onze patiënt, voor de A.C.T.H .- aktiviteit in het tumorweefsel werden bekomen zijn opvallend hoog; bij 4 gevallen van Liddle en Meador schommelen deze waarden tussen 6 en 125 mE/g tumorweefsel (14).
BESLUIT
Het feit dat tumoraal weefsel, ontstaan in een niet-endokrien orgaan, een « A.C.T.H .- achtige » stof of andere polypeptide hormonen kan pro- duceren, illustreert de merkwaardige biochemische veranderingen die kunnen optreden wanneer normaal weefsel tot tumoraal weefsel overgaat. Naast het belang dat ze als dusdanig hebben in differentiële diagnose en therapie, kunnen deze associatiesyndromen dan ook misschien ooit een beter inzicht helpen krijgen in bepaalde fundamentele veranderingen bij de carcinogenese.
SAMENVATTING
Er wordt een patiënt voorgesteld met een gemetastaseerd bronchuscarcinoom van het oatcell-type en met een paraneoplastische bijnierschorshyperfunctie. In de biologie valt vooral het ontbreken van hypokaliëmie op. Een antimitotische kom- binatietherapie veroorzaakte een regressie zowel van de tumorale als van de Cushingsymptomen. De electronenmicroscopische bevindingen worden uitvoerig beschreven. Een A.C.T.H. dosage op tumorweefsel kon tenslotte het causaal ver- band tussen tumor en hypercorticisme bevestigen.
RESUME
Les auteurs rapportent le cas d’une tumeur bronchique. du type’ « oatcell ». avec hypercorticisme paranéoplasique. Parmi les données biologiques, on remar- que surtout l’absence d’hypokaliémie. Une polychimiothérapie antimitotique a entraîné la régression simultanée des signes tumoraux et des symptômes. d’hyper- corticisme. Le dosage d’ACTH dans le tissu néoplasique confirmait ‘enfin l’acti- vité endocrinienne propre de la tumeur.
SUMMARY
A report is presented of a patient with a carcinoma of the lung « oat-cell tumor » with secondary Cushing’s syndrome. An unusual biological finding was the absence of hypokaliemia. After a combined antimitotic treatment, regression was obtained both of tumoral signs and Cushing’s syndrome. Finally, as an evidence for its endocrine activity, a high ACTH content could be demonstrated in the tumor tissue.
BIBLIOGRAFIE
1. BAGSHAWE, K. - Hypokaliemie, carcinoma and Cushing’s syndrome. Lancet, 2, 281, 1960.
2. BERNARD, W. & GRANBOULAN, N. - The fine structure of the cancer cell nucleus. Exp. Cell. Res., Suppl. 9, 19, 1963.
3. BOWER, B. & GORDAN, G. - Hormonal effects of nonendocrine tumors. Ann. Rev. Med., 16, 83, 1965.
4. BRICAIRE, H., TOURNEUR, R., LEPRAT, J., LUTON, J.P. & YACOVOU. - Syndrome de Cushing et cancer du pancreas. Aspect particulier des hypercor- ticismes paranéoplastiques. Sem. Hop., 41, 767, 1965.
5. BROWN, W. - A case of pluriglandular sydrome : diabetes of bearded woman. Lancet, 2, 1022, 1928.
6. CAMBIER, J. - Syndromes d’hypercorticisme surrénal paraneoplasiques. La Presse Méd., 69, 111, 1961.
7. CHRISTY, N. - Adrenocorticotrophic activity in the plasma of patients with Cushing’s syndrome associated with pulmonary nsoplams. Lancet, 1, 85, 1961.
8. ENGEL, F & KAHANA, L. - Cushing’s syndrome with malignant corticotropin producing tumor. Amer. J. Med., 34, 723, 1963.
9. FRIEDMAN, M., MIKHAIL, J. & BHOOLA, K. - Cushing’s syndrome associated with carcinoma of the bronchus in a patient with normal plasma electrolytes. Brit. J. Med., 1, 27, 1965.
10. GAULT, M., BILEFSKY, R., KINSELLA, T. & ARONOFF, A. - Adrenocortical hyperfunction associated with bronchogenic carcinoma. Report of five cases. Canad. Med. Ass. J., 93, 1243, 1965.
11. HOLUB, D. & KATZ, F. - A possible etiologic link between Cushing’s syndrome and visceral ma ignancy. Clin. Res., 9, 194, 1961.
12. HYMES, A. & DOE, R. - Adrenal function in cancer of the lung, with and without Cushing’s syndrome. Amer. J. Med., 33, 398, 1962.
13. JARETT, L., LACY, P. & KIPNIS, D. - Characteriration by immunofluorescence of ACTH-like substance in non-pituitary tumors from patients with hyperadre- nocorticism. J .Clin. Endocr., 24, 543, 1964.
14. LIDDLE, G., ISLAND, D., NEY, R., NICHOLSON, W. & SHIMIZU, N. - Non pituitary neoplasms and Cushing’s syndrome. Arch. Int. Med., 111, 471, 1963.
15. LIPSETT, M., ODELL, W., ROSENBERG, L. & WALDMAN, T. - Humoral syn- dromes associated with nonendocrine tumors. Ann. Int. Med., 61, 733, 1964.
16. MEADOR, C., LIDDLE, G., ISLAND, D., NICHOLSON, W., LUCAS, L., NUCKTON, J. & LUETSCHER, J. - Cause of Cushing’s syndrome in patients with tumors arising from « nonendocrine > tissue. J. Clin. Endocr., 22, 693, 1962.
17. METCALF, M. — A rapid method for measuring 17 hydroxycorticosteroids in urine. J. Endocr., 26, 415, 1963.
18. MYERS, W., TASHIMA, C. & ROTSHILD, E. - Endocrine syndromes associated with nonendocrine ncoplasms. Med. Clin. N. Am., 50, 763, 1966.
19. PRUNTY, F., BROOKS, R., DUPRE, J., GIMLETTE, T., HUTCHINSON, J., McSWINEY, R. & MILLS, J. - Adrenocortical hyperfunction and potassium metabolism in patients with « non-endocrine > tumors and Cushing’s syndrome. J. Clin. Endocr., 23, 737, 1963.
20. SHOLITON, L., WERK, E. & MARNELL, R. - Diurnal variation of adrenocortical function in non-endocrine disease states. Metabolism, 10, 632, 1961.
21. SWIFT, H. - Studies on nuclear fine structure. Brookhaven Symp. in Biol., 12. 134, 1959.
22. SWIFT, H. - Nucleoprotein localisation in electron micrographs : metal binding and autoradiography. Symp. Int. Soc. Cell. Biol., 1, 213, 1962.
23. THOMSON, G., HORWICH, L. & DAVIS, J. - Carcinoma of the bronchus and Cushing’s syndrome. Lancet, 2, 534, 1962.
24. VAN HOVE, W. & VAN DER STRAETEN, M. - Kombinatietherapie met cytosta- tica bij het inoperabel bronchuscarcinoom. Acta tuberc. Belg., 56, 304, 1965.
25. VERMEULEN, A. & VAN DER STRAETEN, M. - Determination of plasmacortisol by a fluorometric method. J. Clin. Endocr., 24, 1188, 1964.
26. WIEME, R., VAN HOVE, W. & VAN DER STRAETEN, M. - The incidence of cytostatic treatment on serum LDH patterns of patients with bronchial carci- noma : its relation with tumor regression. Ann. N.Y. Acad. Science, 151, 213, 1968.